Skip to content

Terugblik themabijeenkomst ‘Bewust stoppen met eten en drinken’

Gepubliceerd op 11 juni 2026

Op 20 mei 2026 organiseerde de RMU-sector Gezondheidszorg & Welzijn in Gouda een themabijeenkomst over BSTED (Bewust Stoppen met Eten en Drinken). Spreker was Marleen Hout-Korevaar, specialist ouderengeneeskunde en kaderarts palliatieve zorg. Zij belichtte de medische, juridische, ethische en geestelijke aspecten van dit actuele en ingrijpende onderwerp.

BSTED betreft het bewust, vrijwillig en weloverwogen stoppen met eten en drinken met als doel het levenseinde te bespoedigen. Volgens de wet heeft een wilsbekwame patiënt het recht om behandelingen, voeding en vocht te weigeren. Tegelijk blijft iemand die hiervoor kiest recht houden op goede zorg en begeleiding.

Tijdens de avond werd aandacht besteed aan de herziene richtlijn uit 2024. Daarin is onder meer aandacht voor jongere patiënten, mensen met beginnende dementie en situaties van wilsonbekwaamheid. Ook werd ingegaan op de redenen waarom mensen voor BSTED kiezen, zoals lichamelijk lijden, angst voor afhankelijkheid, gevoelens van zinloosheid of de wens om zelf regie te houden over het levenseinde.

De spreker beschreef het lichamelijke verloop van BSTED en de rol van artsen, verpleegkundigen en verzorgenden. Goede palliatieve zorg, zorgvuldige beoordeling van wilsbekwaamheid en aandacht voor naasten zijn daarbij van groot belang. Ook werd stilgestaan bij de vraag of BSTED gelijkgesteld kan worden aan zelfdoding. Over deze vraag bestaan verschillende opvattingen, mede omdat het doel weliswaar levensbekorting is, maar het proces anders verloopt dan bij actieve levensbeëindiging.

Vanuit christelijk perspectief werd benadrukt dat het leven een gave van God is en daarom beschermwaardig blijft. Tegelijk werd onderkend dat niet alles wat medisch mogelijk is ook altijd moet worden gedaan. De avond, met zo’n 130 RMU-leden en werkers in de zorg hierover nadenkend, maakte duidelijk dat BSTED veel moeilijke vragen oproept waarvoor geen eenvoudige antwoorden bestaan. Zorgvuldige afweging, moreel beraad, goede palliatieve zorg en barmhartige nabijheid blijven daarbij essentieel.