(On)Gemakkelijke vragen bij de functiemix
De functiemix popt zo nu en dan op in je leven als leraar. Bij een vacature die wordt opengesteld. Bij de verdeling van taken. Bij het openstellen van een nieuwe sollicitatieronde als er LC-functies weg te geven zijn. Of bij de vraag waarom de één doorgroeit en de ander niet. Vaak blijft de mix op de achtergrond, maar dan komt het ineens dichtbij. Tenminste, als je persoonlijk betrokken bent of wilt worden.
De functiemix – de verdeling tussen LB-, LC- en LD-functies – maakt onderdeel uit van het dagelijkse personeelsbeleid van scholen. Waar het ooit sterk werd gestuurd vanuit landelijk beleid, ligt de invulling nu vooral bij schoolbesturen zelf, binnen de afspraken van de cao. Dat betekent dat keuzes over functies en doorgroeimogelijkheden lokaal worden gemaakt. De CAO-partners monitoren het landelijke beeld.
In de praktijk komt de functiemix vaak op tafel op herkenbare momenten. Bij het openstellen van een vacature bijvoorbeeld: wordt dit een LB-functie of juist een LC? Of wanneer een docent al jarenlang met inzet werkt, extra taken oppakt en zich afvraagt hoe het zit met doorgroei. Of bij de afweging om te solliciteren als er LC-functies vrijkomen. Ook bij krimp of herverdeling van formatie speelt de functiemix mee.
Soms kan er (persoonlijke) spanning ontstaan. Niet omdat scholen onzorgvuldig handelen, maar omdat de ruimte voor “hogere functies” per definitie beperkt is. Goed functioneren betekent niet automatisch dat doorgroei mogelijk is. De ruimte voor LC- en LD-functies hangt samen met formatie, beleidskeuzes en de manier waarop taken en verantwoordelijkheden binnen de school zijn verdeeld. Dat kan tot teleurstelling leiden, zeker als verwachtingen niet goed zijn uitgesproken, het beleid niet helder is, of mensen gewoonweg een verkeerd beeld hebben.
Een terugkerend punt van aandacht is transparantie. Voor docenten is het belangrijk om te weten waar zij aan toe zijn. Op basis waarvan worden functies ingedeeld? Welke taken en verantwoordelijkheden horen bij een LC- of LD-functie? En hoe wordt bepaald wie daarvoor in aanmerking komt? Als hierover weinig duidelijkheid is, kan het gevoel ontstaan dat beslissingen moeilijk te volgen zijn. Dat heeft invloed op het vertrouwen binnen een team, ook als niemand verkeerde bedoelingen heeft.
Tegelijk vraagt dit om nuance. Functiedifferentiatie is een legitiem en noodzakelijk instrument. Scholen mogen – en moeten – keuzes maken die passen bij hun onderwijsvisie en organisatie. Niet elke docent hoeft dezelfde rol te vervullen. Verschil in taken en verantwoordelijkheden is onvermijdelijk en dient vooral bij te dragen aan de kwaliteit van het onderwijs.
Juist daarom is zorgvuldigheid belangrijk. Heldere functieomschrijvingen, vooraf bekende criteria en een consistente manier van werken helpen om verwachtingen realistisch te houden. Ook het gesprek hierover is van waarde: waarom maakt de school deze keuzes, en hoe verhouden die zich tot wat van docenten wordt gevraagd? De medezeggenschapsraad kan hierin een rol spelen door mee te denken over het algemene personeelsbeleid en de inrichting van het functiebouwhuis en de functiedifferentiatie.
Voor individuele docenten geldt: doorgroei is geen automatisme, maar vragen stellen is altijd volop geoorloofd. Informeer naar de criteria, bespreek ambities tijdig en vraag om toelichting als zaken onduidelijk blijven. Niet vanuit wantrouwen, maar vanuit betrokkenheid bij je werk en je school.
Heb je vragen over de functiemix, de functiebeschrijving, of je doorgroei(on)mogelijkheden? Neem contact op met de RMU en wij denken met je mee.