“Ik ben heden tachtig jaren oud… Laat toch uw knecht wederkeren…”
(2 Samuël 19: 31-40)
Vrienden in nood, honderd in een lood. Het oude gezegde klinkt bijna scherp, maar wie terugkijkt op het leven van David ziet hoe waar het soms is. Wanneer hij moet vluchten voor Absalom, zijn eigen zoon, laten velen hem vallen. Vertrouwelingen kiezen positie aan de andere kant. Maar er zijn uitzonderingen. Eén daarvan is de hoogbejaarde Barzillaï.
Wanneer David tijdens zijn vlucht in Mahanaïm aankomt, laat Barzillaï hem rijkelijk voorzien van voedsel en andere benodigdheden. Openlijk en ruimhartig steunt hij de verstoten koning. Het kost hem niet alleen goederen, maar ook zijn naam en eer. Toch doet hij het. De band met David weegt voor hem zwaarder dan de risico’s.
Wanneer de kansen keren en Absaloms leger verslagen is, maakt David zich klaar voor terugkeer naar Jeruzalem. Barzillaï begeleidt hem, zelfs tot over de Jordaan. Daar spreekt David zijn trouwe vriend aan. Uit dankbaarheid voor diens liefde en steun doet hij hem een koninklijk aanbod: ga met mij mee naar Jeruzalem en eet aan mijn tafel. Een eervolle plaats aan het hof van de koning.
Opmerkelijk genoeg slaat Barzillaï dat aanbod af. Niet uit minachting, maar uit wijsheid. Zijn antwoord is eerlijk en doordacht: “Ik ben heden tachtig jaar oud… Zou ik kunnen onderscheiden wat goed en kwaad is? Zou ik nog kunnen smaken wat ik eet of drink? Zou ik nog kunnen horen naar de stem van de zangers en de zangeressen?” Hij benadrukt niet wat hij níét meer wil, maar wat hij niet langer kán. De fijnheden van het hofleven zouden hem ontgaan. Hij vreest dat hij David tot last zou zijn. “Laat toch uw knecht wederkeren…” zegt hij bescheiden.
In deze woorden klinkt de rust van een man die de realiteit van het ouder worden onder ogen ziet. Barzillaï is niet verbitterd. Hij verzet zich niet tegen de gebreken van de ouderdom. Hij aanvaardt ze, bewust en blijmoedig. Zijn tevredenheid ademt de vreze des Heeren. Elke dag ontvangt hij als gave uit Gods hand. Hij leeft niet voor genot en gemak, niet voor eer of roem. Hij leeft met het besef van Psalm 90: leer ons onze dagen tellen. Dat maakt hem wijs.
Het geheim van zijn hart komt nog in iets anders naar voren. Barzillaï vraagt niets voor zichzelf, maar wel voor zijn zoon Chimham. “Laat die met mijn heer de koning optrekken.” Hij gunt zijn kind een plaats dicht bij David, de man naar Gods hart. Het is het verlangen van een vader die weet waar zijn nageslacht het meest gezegend zal zijn. Het raakt aan de woorden uit 3 Johannes 4: “Ik heb geen meerdere blijdschap dan hierin dat mijn kinderen in de waarheid wandelen.” En David stemt toe.
Deze meditatie is onderdeel van de brochure OUDER & WIJZER van RMU Senior.
| Deze meditatie is geschreven door ds. J.M.J. Kieviet, emeritus predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerken