In Nederland worden kinderen relatief vroeg, rond hun twaalfde levensjaar, ingedeeld in verschillende vormen van voortgezet onderwijs. Dat systeem heeft een duidelijke gedachte erachter: onderwijs dat aansluit bij talenten, leerstijlen en ontwikkeltempo’s van leerlingen. Een brede middenschool voor alle leerlingen heeft dan ook weinig draagvlak meer.
Tegelijk vraagt deze vroege selectie om blijvende ruimte voor correctie. Niet iedere leerling ontwikkelt zich in hetzelfde tempo. Laatbloeiers of jongeren uit een minder kansrijke omgeving moeten de mogelijkheid houden om later alsnog door te stromen naar een hoger niveau. In de praktijk zijn die overstapmogelijkheden de afgelopen decennia juist kleiner geworden. Door financiële en organisatorische keuzes zijn de drempels tussen onderwijsniveaus verhoogd.
Leren stopt niet bij een diploma
Voor de één is een praktijkgerichte route via vmbo en mbo passend, voor de ander biedt een langer verblijf in een meer theoretische leeromgeving zoals havo of vwo meer perspectief. Het is belangrijk dat al deze routes open blijven en gelijkwaardig worden gewaardeerd.
Die gedachte geldt niet alleen voor jongeren, maar ook voor werkenden. Juist lager- en middelbaar opgeleide werknemers moeten hun kennis en vaardigheden blijven ontwikkelen om bij te blijven in een snel veranderende arbeidsmarkt. Bij- en herscholing vergroten bovendien de mogelijkheden om van functie of sector te wisselen wanneer dat nodig is.
Vanuit die overtuiging pleit de RMU al langer voor een leerrechtensysteem: een systeem waarin iedere werknemer gedurende zijn of haar loopbaan recht heeft op scholing en ontwikkeling (bron: RMU Visie ’20).
Scholing als gezamenlijke verantwoordelijkheid
Opleiding en ontwikkeling zijn niet alleen belangrijk voor de werknemer zelf, maar ook voor de organisatie. Scholing moet aansluiten bij de strategische doelen van het bedrijf en bijdragen aan duurzame inzetbaarheid. Het gaat daarbij niet uitsluitend om het aanleren van nieuwe kennis of vaardigheden voor een huidige functie, maar ook om bredere ontwikkeling met het oog op de toekomst.
Daarom is het essentieel dat werkgevers en werknemers regelmatig met elkaar in gesprek blijven over ontwikkeling, ambities en mogelijkheden. Scholing is geen eenmalige investering, maar een doorlopend proces.
Conclusie
Is het belang van scholing overschat of onderschat? Waarschijnlijk geen van beide. Scholing hoort simpelweg bij werken in deze tijd. Voor een gezonde economie, toekomstbestendige organisaties en werknemers die met vertrouwen en perspectief hun loopbaan vormgeven.
Dat inzicht vraagt vooral om bereidheid om te blijven leren. En daarvoor hoef je niet hoogopgeleid te zijn, alleen gemotiveerd.